Het
frame van een fiets is hetzelfde als een skelet; het dient voor de stevigheid
en voor de bevestiging van de diverse onderdelen, zoals wielen, trapstel
enz.Men heeft frames in alle maten omdat men ook coureurs in vele maten heeft.
De maat van een frame wordt bepaald door de lengte van de zitbuis (zie
figuur), gerekende vanaf het hart van het trapstel tot de bovenkant van de
zadelpenkoker. De maten van de andere buizen gaan in verhouding mee. Dit geldt
natuurlijk alleen voor de frames die in serie worden gebouwd.
Men maakt ook frames die afwijken van dit "normale"
patroon en zo bied men dan frames aan die als 'specifiek voor klimmen' of
'specifiek voor tijdrijden' bestempeld worden.
Bij de standaardframes is er wel, ondanks de gelijke
maatverhoudingen, een verschil in kwaliteit. Wanneer we spreken over een frame
dan hebben we het altijd over een zwaar, lichter of het lichtste frame. Het
gewicht van een moderne fiets wordt in hoofdzaak bepaald door het frame en het
is een dankbaar werken om dààr het gewicht te gaan verminderen. Hoe lichter
nu eenmaal een fiets hoe sneller hij loopt en vooral hoe sneller hij aanzet
bij een sprint, alhoewel de spieren hem natuurlijk in beweging moeten brengen.
Het materiaal waaruit een frame is opgebouwd bepaald in hoofdzaak het gewicht,
men heeft drie materialen die courant gebruikt worden: aluminium, staal en
carbon. Aluminium is lichter maar ook zwakker dan staal, maar toch is een
aluminium kader geschikt voor bijna alle fietswerk. Carbon is zeer stijf, maar
ook licht, dit is ideaal om bv te gaan klimmen en te fietsen op wegen die goed
lopen...op kasseien daarentegen is dit kader niets waard. Carbon is het
duurst, daarna volgt aluminium en het goedkoopst is staal.
Er bestaat nog een methode om een kader lichter te maken en dat
is door de wand in het midden dunner te maken dat op het uiteinde, zulke
buizen noemt men butted tubes, tegenwoordig zijn het al double butted tubes,
of zelfs tripple butted tubes, dit wil gewoon zeggen met 2 of 3 verschillende
wanddiktes.
Als besluit wil ik nog zeggen dat een kader echt goed moet
"zitten". Want een te klein of te groot kader kan soms nare gevolgen
hebben. Veel hangt ook af van de positie op de fiets, maar daar ga ik hier
niet verder op ingaan.
Het bepalen van de ideale fietsmaat : FM
De maat van een fietsframe is de afstand in centimeter gemeten
langs de zitbuis (= de kaderbuis waar de zadelpen in vastzit) van het centrum
van de trapas (bracket- of crankas) tot het midden van de bovenbuis (=
horizontale kaderbuis tussen zadel en stuur). Dit is de hart op hart methode
om de maat te bepalen en wordt het meest toegepast.
Om de maat van het frame te bepalen wordt uitsluitend uitgegaan
van de kruishoogte of binnenbeenlengte (hoe deze te meten, zie
zadelafstelling).
De kruishoogte of binnenbeenlengte moeten vermenigvuldigd
worden met 0,65, het resultaat wordt afgerond naar onder indien na de komma
geen vijf tienden wordt bereikt
Op de site van
WWW.BIKEFITTING.COM kan hierover het volgende
worden teruggevonden:
"De framehoogte wordt niet altijd op dezelfde wijze
gemeten en kan per fietsfabrikant én per land verschillen. Informeer bij u
leverancier hoe precies de framematen van de diverse fabrikanten worden
gemeten. Met de framehoogte bedoelen eigenlijk de lengte van de zitbuis in het
frame. Hieronder staan de 3 meest voorkomende manieren om een framehoogte te
meten weergegeven.
Hart op hart. De framehoogte wordt gemeten van het hart van
de trapas (bracket) tot aan het midden van de zadelpenlug (kruispunt
hartlijn zadelpenbuis en hartlijn bovenbuis)
Hart-bovenkant. De hoogte wordt hierbij gemeten van hart
trapas tot aan de bovenkant van de zadelpenlug. Als vuistregel kan men
stellen dat deze framehoogte minus 15 à 20 mm gelijk is aan de hart-op-hart
maat.
Bovenkant tot bovenkant. De framemaat wordt vaak om
praktische redenen zo gemeten van de bovenkant van de trapas (het hart van
de trapas is niet altijd makkelijk te bepalen) tot aan de bovenkant van de
zadelpenlug. De vuistregel is hier: bovenkant/bovenkant gemeten is nagenoeg
gelijk aan hart-op-hart gemeten. "
Het bepalen van de hoogte van het zadel = ZH
De zadelhoogte wordt gemeten vanaf het centrum van de trapas
(bracket- of crankas) tot de bovenkant van het zadel die in het verlengde ligt
van de zadelpen
Deze zadelhoogte is het resultaat van de berekening :
Binnenbeenlengte (of kruishoogte) x 0,885
Het berekenen van kruishoogte of binnenbeenlengte :
Met de koersschoenen aan wordt de kruishoogte gemeten = KH (de
kruishoogte = de binnenbeenlengte
De kruishoogte of binnenbeenlengte wordt als volgt gemeten:
sta rechtop, het gezicht tegen een verticale muur en plaats
de binnenkant van de voeten ongeveer 20 cm uit elkaar;
zet een winkelhaak met de korte zijde tegen de muur en de
lange zijde tussen de benen
trek de winkelhaak zo hoog mogelijk stevig tegen het kruis
teken de positie van de winkelhaak af op de muur
meet nu de afstand van de grond tot het merkteken
WWW.BIKEFITTING.COM :
Met de volgende wiskundige formule berekent men de maximale zadelhoogte t.o.v.
het centrum van de crankas (=trapas):
ZH = De binnenbeenlengte wordt als volgt
gemeten:
sta rechtop zonder schoenen aan;
plaats de binnenkant van de voeten ongeveer 200 mm uit
elkaar;
trek een buis (diameter ± 35 mm) of de rug van een boek
stevig in het kruis, tot tegen het bot;
positioneer jezelf in het midden van de buis of boek;
meet de afstand van de bovenkant van de buis tot aan de
grond zowel voor als achter, tel deze maten op en deel deze som door twee;
Het bepalen van de voor- of achterwaartse zadelstand = ZS
De fiets wordt op een horizontaal grondoppervlak geplaatst.
Met een schietlood wordt een punt op de grond afgetekend
loodrecht onder het centrum van de crankas.
Er wordt een tweede punt afgetekend loodrecht onder de voorste
zadeltop.
De afstand tussen beide punten is afhankelijk van de
kruishoogte.
Volgende afstanden moeten gerespecteerd :
KH
ZS
75cm
4 tot 5,5cm
76cm
4 tot 6 cm
77cm
4,5 tot 6 cm
78cm
4,5 tot 6,5 cm
79cm
5 tot 6,5 cm
80cm
5 tot 7 cm
81cm
5,5 tot 7 cm
82cm
5,5 tot 7,5 cm
83cm
6 tot 7,5 cm
84cm
6 tot 8 cm
85cm
6,5 tot 8 cm
86cm
6,5 tot 8,5 cm
87cm
7 tot 8,5 cm
88cm
7 tot 9 cm
89cm
7,5 tot 9 cm
Het bepalen van de ideale afstand tussen stuur en zadeltop
: ASZ
Er wordt gemeten tussen het middelpunt van de stuurbuis waar
die in de stuurpen zit geklemd tot het voorste topje van het zadel.
Is afhankelijk van meerdere factoren. Niet enkel van de kruishoogte maar ook van
de romp- en armlengte. Bij een normaal postuur worden ruwweg volgende
verhoudingen aangeraden, opnieuw gebaseerd op de kruishoogte of binnenbeenlengte
:
Tabel 1: Energieverbruik c.q. -besparing bij 45 km/uur
Onze tweewielers moeten niet alleen mooi zijn, maar onze
troetelkindjes moeten natuurlijk ook vooral snel zijn. Hier komt de aërodynamica
om de hoek kijken. Om op de fiets vooruit te komen moet vooral luchtweerstand
overwonnen worden. Aërodynamische fietsen moeten bij gelijkblijvend
energieverbruik een hogere snelheid mogelijk maken. Snelheid kost echter geld.
Ontwerpers zijn de laatste jaren met steeds snellere fietsjes op de proppen
gekomen, maar deze zijn vaak zeer kostbaar en weinig praktisch in het dagelijks
gebruik. Aërodynamische wielen zijn dit echter wel en bovendien soms zeer
betaalbaar. Aero-wielen zijn er in verschillende soorten. Zo zijn er dichte
(achter)wielen, drie- en vierspaakswielen van carbon en wielen met een
gereduceerd aantal (mes)spaken en een hoog velgprofiel (van carbon of
aluminium). Tests om te bepalen met welke wielen de hoogste tijdwinst te
realiseren valt vinden vaak onder laboratoriumomstandigheden plaats.
Interessanter is het natuurlijk om te kijken hoe de verschillende wielen in een
praktijktest t.o.v. elkaar presteren. In het Duitse blad TOUR-Velo werden de
resultaten van een dergelijke test met 10 verschillende wielcombinaties
gepresenteerd. De test werd uitgevoerd op een overdekte wielerbaan, opdat de
testresultaten met elkaar vergeleken konden worden. D.w.z. dat de test onder
gelijke omstandigheden uitgevoerd zou worden; geen invloed van de wind en andere
fietsers, bij een gelijkblijvende temperatuur (22 ºC) en met dezelfde snelheid
(45 km/uur) en trapfrequentie (53x12 = t.f. 102) op steeds dezelfde fiets (een
wegfiets van het merk Faggin) met dezelfde berijder (Lars Teutenberg). Uiteraard
werden ook steeds dezelfde bandjes gemonteerd. De gepresenteerde resultaten zijn
steeds voor een set wielen. Gemeten werd met de SRM-meettechniek. De uitleg van
de werking hiervan zal ongetwijfeld zeer boeiend zijn voor de liefhebbers, maar
het gaat ons natuurlijk om de resultaten van de test, dus........ Als winnaar
komt, niet geheel onverwacht, het dichte wiel uit de bus. De energiebesparing
van dichte wielen (hier Carbotec-Disc en Heylight) zijn duidelijk beter dan de
overige geteste wielen (zie ook tabel 1).. Dichte voorwielen zijn op de weg,
i.v.m. hun zijwindgevoeligheid, echter nauwelijks te gebruiken. Hetzelfde geldt
bij een zeer harde wind tevens voor het achterwiel. Maar als grootste bezwaar
kennen de dichte wielen hun hoge prijs. Het is dan ook niet zo vreemd dat dichte
wielen bij nauwelijks nog gesignaleerd worden.
Mavic Vol wiel
Hed-3D
Spinergy Tilium Carbon
Dit laatste kan niet gezegd worden van de spaakwielen
met een hoog profiel. Van de geteste wielen komt de Campagnolo Shamal HPW12
duidelijk op de tweede plaats. Daarna komen de Mavic Cosmic, Citec en Spinergy.
Deze wielen zijn beduidend goedkoper wat misschien voor een groot deel hun
populariteit verklaard. Een vergelijking van deze wielen leert dat alleen de
velghoogte niet bepalend is voor een goede aërodynamica. Het bewijs hiervoor
wordt geleverd door Citec dat met een beduidend lagere velg bijna even goed
scoort als Mavic. Mavic gebruikt echter zestien spaken tegenover Citec slechts
12 (net als de Shamal). Dit argument wordt verder alleen nog maar versterkt door
het achterblijven in prestatie van twee wielen met een relatief hoog velgprofiel
Spinergy (met 8 vlakke carbonspaken) en HED Jet (met 28 spaken). Deze laatste is
bovendien nogal duur en wat dat betreft dan ook geen aanrader te
noemen.Verrassend goed komt de haast conventioneel aandoende Rigida DP 18 met
messpaken (voor 18, achter 24) uit de bus. De energiebesparing met deze verreweg
goedkoopste wielenset komt overeen met die van de HED Jet. De Rigida's zijn
bovendien zeer gebruiksvriendelijk. De nippeltjes blijven bereikbaar, onderdelen
kunnen makkelijk vervangen worden en last but not least, bij een ongelukje met
de wielen kunnen ze, net als een normaal spaakwiel, weer gecentreerd worden.
Vooral voor zwaardere renners kan het echter zinvol zijn achter wat meer spaken
te steken. Door leveringsproblemen (Specialized, Habo) en productiestops (Zipp,
Mavic, Spin-Wheel) waren de drie- en vierspoke wielen mondjesmaat
vertegenwoordigd in de test. Misschien is dit wel het gevolg van het matige
presteren van deze wielen. Een set Spengle Tri-Spoke's blijkt het slechtst uit
de bus te komen. Het solitaire Corima voorwiel blijkt in combinatie met een
gewoon 36-spaaks achterwiel slechter te scoren dan de combinatie van een Shamal
voorwiel met een 36-spaaks achterwiel. Drie- en vierspoke's zijn misschien
alleen nog maar interessant voor de liefhebbers van het typerende
helikoptergeluid van deze wielen (niet alleen het oog, ook het oor wil wat!),
maar verder zijn ze vooral zwaar en duur. Tot slot kun je de vraag stellen of er
nog verschil is in de aerowinst van voor- respectievelijk achterwiel. Duidelijke
uitspraken konden aan de hand van de uitgevoerde test niet gedaan worden, maar
het leek wel zo te zijn dat beide wielen ongeveer even belangrijk zijn voor de aërodynamica,
dit in tegenstelling tot eerdere aannames dat m.n. het voorwiel van invloed zou
zijn op de aërodynamica. Verder blijkt het zo te zijn dat de energiebesparing
m.b.v. aero-wielen begint bij een snelheid van zo'n 30 km/uur. Hoe harder de
fietser echter rijdt, hoe hoger de relatieve energiewinst uiteindelijk is. Van
belang hierbij is ook hoe de fietser op de fiets zit. Hoe gunstiger de houding
op de fiets (ligstuur!), hoe groter het voordeel dat uit de aërodynamische
aanpassingen wordt gehaald. Leuk is natuurlijk om te zien wat nu de prijs is per
gewonnen seconde. Als basis werd een goed getrainde renner genomen die met 300
watt één uur lang fietste (zonder ligstuur, handen onder in de beugel). In dit
uur legde hij 39,39 kilometer af. Berekend werd hoeveel sneller deze fietser met
de geteste wielen gereden zou hebben. Ook werd de tijdwinst met een ligstuur (8
procent minder luchtweerstand) berekend. De gewonnen seconden werden gedeeld
door de prijs van het materiaal, waardoor men op een eenheid mark per seconde
uitkwam. Het resultaat zie je in tabel 2. Grote winnaar is de Rigida DP 18,
duidelijk het duurst uit ben je met een Tri-Spoke.
"Verzet" betekent - in wielertermen tenminste –
de verhouding tussen het aantal tanden op het tandwielblad en deze van het
kroontje achteraan. "Versnelling daarentegen is een concreet begrip dat
doelt op de afstand in aantal meter, centimeter en millimeter bij één
volledige trapomwenteling.
Als men het heeft over verzet dan spreekt men bijvoorbeeld
van 52 op 15 of kortweg 52/15. Om exact de versnelling op te meten moet je de
bandjes bedrijfsklaar opblazen en op de fiets gaan zitten terwijl je één
volledige trapomwenteling maakt. De formule om in theorie je versnelling te
berekenen is niet zo ingewikkeld; alleen moet je precies de omtrek van je
(achter)wiel kennen. Dat wordt dan:
aantal tanden vooraan / aantal tanden achteraan x wielomtrek
Als je een beetje een wiskundige knobbel bent en de formule
aandachtig bekijkt, dan zal je merken dat 1 tand meer vooraan niet hetzelfde
resultaat geeft als een tandje minder achteraan (als je immers bij een deling
het deeltal met 1 eenheid verhoogt is dat niet hetzelfde dan wanneer je de
deler met 1 eenheid vermindert) Een paar voorbeelden:
52/12 = 9,09m
53/12 = 9,27m (een verschil van 18cm)
52/12 = 9,09m
52/11 = 9,92m (een verschil van 83cm)
Ook is het zo dat bij de kleiner kronen achteraan de
"sprong" groter is dan bij de grotere kronen vanaf 21. Voorbeeld:
53/12 = 9,27m en 53/11 = 10,11m (een verschil van 84cm)
53/24 = 4,63m en 53/25 = 4,46m (een verschil van slechts
17cm)
Dat verklaart waarom wielrenners "ze achteraan graag op
een rij hebben", met andere woorden tot en met de 18 bijvoorbeeld liefst
met 1 tandje tegelijk het verschil willen. Als men op tempo zit en men voelt
de behoefte om iets groter of iets kleiner te gaan, gebeurt dat best niet te
brutaal en komt het beter van pas om meteen hooguit een paar tientallen
centimeters verschil te maken. Dit is beter dan ineens zomaar méér dan een
halve meter meer of minder te gaan trappen, temeer daar de spieren dat brutale
omschakelen niet zo vlot verdragen. Al zijn moderne fietsen echt fantastisch,
toch zou het voor het lichaam nog interessanter zijn moesten de versnellingen
mekaar lineair opvolgen, of anders gezegd indien de versnelling bij elk op- of
afschakelen met hetzelfde aantal centimeter zou toe- of afnemen.
Overbrenging van krachten via tandwielen en ketting geeft,
mechanisch gesproken, een degelijk rendement, maar alleen als de wrijving die
daarbij optreedt, binnen normale perken blijft. Ideaal is dat beide
tandwielen, in casu het voorste tandwielblad en het kroontje achteraan op 1
lijn zitten zodat de ketting nergens wringt. Het spreekt vanzelf dat dit niet
bij ieder verzet kan, maar toch moet je als fietser een optimale kettinglijn
nastreven.
Als je vooraan 2 tandwielen hebt en achteraan 8 kroontjes
dan kan je eigenlijk maar echt spreken van 14 of beter nog 12 versnellingen.
Als je dat niet in acht neemt kan je tot 10% rendementsverlies oplopen wegens
het te schuin lopen van de ketting.
Sinds Armstrong in Frankrijk zijn derde eindoverwinning behaalde in de Tour,
spreekt iedereen over het kleine molentje waar Lance de tegenstand in de
vernieling mee reed. Terwijl hij vroeger eerder op kracht naar boven reed,
beklom hij vorige jaren de bergen met meer elegantie en souplesse.
EPO
Een 20-tal jaar geleden, in de tijd van Merckx, werd er in het peloton door
iedereen op een veel kleiner verzet gereden dan momenteel. Ook tijdens
tijdritten kozen de renners voor een verzet dat zelden groter was dan een
52x14 (momenteel het zwaarste toegelaten verzet bij de junioren).
Toen echter, eind de jaren 80 allerlei spierversterkers en o.a. EPO hun
opwachting deden in het peloton, werd vooral bergop, maar ook in tijdritten,
met een groter verzet gereden. Renners trachtten op pure kracht naar boven te
spurten, aangedreven door onzuivere brandstof. Met de huidige dopingcontroles
moeten de renners weer zuiver rijden en kiezen dan noodgedwongen voor een
lichter verzet.
Nuttig vermogen
Om snel vooruit te komen, moet je een groot vermogen kunnen leveren. Vermogen
is hier de kracht die je kunt leveren, vermenigvuldigd met de afgelegde weg,
in dit geval de omwentelingssnelheid. Je hebt dus 2 componenten: de
omwentelingssnelheid en de kracht die je kunt uitoefenen. Beide componenten
moeten optimaal aan elkaar gelinkt zijn om snelheid te ontwikkelen.
Omwentelingssnelheid
De max. omwentelingssnelheid die een mens kan halen, is individueel
verschillend en afhankelijk van je erfelijke aanleg. Atleten die
"voorbestemd" zijn om "sprinter" te worden kunnen
kortstondige omwentelingssnelheden van meer dan 200 omwentelingen per minuut
maken.
Uit wetenschappelijk onderzoek zou moeten blijken dat de optimale
trapfrequentie veel trager is, nl. tussen de 70 en 90 omwentelingen per
minuut. In de praktijk echter blijkt dat de meeste wielrenners zich
comfortabel voelen bij een trapfrequentie die wat hoger ligt en tussen de 90
en 110 te situeren is (dit althans voor op de weg en dan nog afhankelijk of
het hier om rijden in het peloton, tijdrijden of klimmen gaat)(bv. in een
ploegenachtervolging bij wereldtoppers wordt zelfs soms 140 à 150 gehaald,
tijdens klimritten hangt men tussen 85 en 95 omwentelingen,...).
We konden vorig jaar vaststellen dat tijdens de bergritten in de Tour, op
momenten dat Armstrong's ploegmaten het peloton aanvoerden, Armstrong een
trapfrequentie van 85 à 90 haalde. Van zodra de wedstrijd openbrak, versnelde
hij naar een frequentie van 95 tot 100 omwentelingen zonder daarom terug te
schakelen. Hij kon zijn kracht blijven gebruiken met meer omwentelingen wat
resulteerde in een beter nuttig vermogen.
Het belang van souplesse (of het kunnen aanhouden van een snelle cadans of
hoge omwentelingssnelheid) is dus duidelijk. De jeugd leert daarom ook best om
met een relatief hoge omwentelingssnelheid te rijden.
Kracht
Enkel souplesse alleen volstaat natuurlijk niet. Een optimale combinatie is er
één tussen souplesse én kracht. Neem nu een tijdrijder. Als die een 54x16
duwt, komt hij per omwenteling 7,21 meter verder. Bij een 52x15 daarentegen,
gaat hij 7,40 meter vooruit. Als je bij beide verzetten 110 omwentelingen
maakt, dan heb je per kilometer een verschil van 2 à 3 seconden, wat op een
tijdrit van 30 kilometer toch een verschil oplevert van 1,5 minuut. In een
tijdrit kan er dus met minuten gesmeten worden, gewoon door één tand
verschil aan te kunnen of net niet (een kwestie van kracht).
Optimale combinatie van kracht en omwentelingssnelheid
Beide componenten zijn dus belangrijk. Jammer genoeg merkt men nog al te vaak
dat men vaak wil trappen met het maximale verzet waarmee men kan/mag rijden.
Zeker na de wintermaanden lukt het vaak om een tandje groter te draaien omdat
men bv. aan supplementaire krachttraining heeft gedaan.
Nochtans mag het bijwinnen van kracht niet gaan ten koste van de souplesse.
Immers, als men bv. met een 52x14 tegen 110 omwentelingen rijdt, dan rijdt men
52,3 km/h. Haalt men slechts 85 omwentelingen, dan rijdt men 45 km/h. Een
wereld van verschil waarbij nog maar eens duidelijk het belang van souplesse
blijkt.
Een soepele stijl kun je goed trainen op de weg. Rondjes rijden met een (te)
klein verzet of, zoals vroeger gebruikelijk was, met een vaste pion. Je moet
echter niet hoger gaan dan 120 omwentelingen. Door te trainen met een (te)
klein verzet krijg je bovendien een betere coördinatie omdat het zenuwstelsel
zich aanpast.
Een typisch renner die heel soepel rijdt, is Sven Nys. Dat heeft hij
overgehouden uit de jaren dat hij met een BMX koerste. Het is trouwens tussen
je tiende en twaalfde dat je je maximale bewegingsfrequentie kunt ontwikkelen,
de leeftijd waarop Sven Nys zijn rondjes reed. Wat niet belet dat dit op
latere leeftijd niet meer zou kunnen.
Op de piste rijden, is eveneens een goede training. Omdat je met een vaste
pion rijdt, moet je de hele tijd blijven trappen, en dat met een hoge
frequentie. Het vergt wat oefening om op een hoger toerental te rijden maar
van zodra je een snelle cadans aankunt, kun je geleidelijk een zwaarder verzet
trachten rond te krijgen, zonder dat je trapfrequentie vertraagt.
Het heeft geen zin zich uitsluitend op ofwel souplesse, ofwel op kracht te
focussen. In combinatie met souplessetraining kan en moet je ook aan kracht
werken. Het is de wisselwerking tussen beide die het doet.
Carbon: Carbon heeft als
voornaamste eigenschap een gering gewicht zonder in te boeten aan kracht
stevigheid en schokabsorptie. Een aantrekkelijke eigenschap van carbon is dat
het lateraal (in zijwaartse richting) steviger is dan verticaal. Het frame
buigt niet door als er hard getrapt wordt, maar behoudt toch de nodige
veerkracht voor schokabsorptie, wat bij aluminium niet het geval is.
Voordelen: carbon is
viermaal zo sterk als hoogwaardig staal met hetzelfde gewicht en roest niet.
Nadelen: carbonframes zijn
erg duur en moeilijk te repareren.
Titanium:
Materiaal dat eveneens
afkomstig is uit de wereld van de jets en de ruimtevaart.
Voordelen:
schokabsorberend, waardoor het rijden comfortabeler wordt, het is licht en
hard en het roest niet.
Nadelen: duurste
framemateriaal op de markt, moeilijk te repareren en te lakken.
Staal: Verbeterd staal is lichter
en sterker dan ooit. Nieuwe constructietechnieken met taps toelopende en ovaal
gevormde buizen zorgen voor extra breukvastheid en oppervlaktehardheid,
waardoor het gewicht van het frame verder teruggebracht wordt tot minder dan
1,4 kg. Hierdoor liggen de duurdere stalen kwaliteitsframes slechts enkele
tientallen grammen achter op de frames van carbon en titanium.
Voordelen: makkelijk te
lakken en te chromeren, gaat heel lang mee, is soepel en makkelijk te
repareren.
Nadelen: staal gaat
roesten, goedkope stalen frames zonder legering of kwaliteitsbuizen zijn erg
zwaar.
Aluminium: Algemeen beschouwd als
het beste materiaal voor fietsframes voor beginners en gevorderden. Werd in de
jaren ’90 door veel profploegen gebruikt.
Voordelen: aluminium is
redelijk betaalbaar, het is licht, onbuigzaam en het roest niet.
Nadelen: aluminium is
niet schokabsorberend zoals staal, titanium of carbon en is onderhevig aan
metaalmoeheid. De geschatte levensverwachting is ongeveer 5 jaar, een
aluminiumframe is moeilijk te repareren.
Doel van het systeem. SRM
is ontworpen als een instrument dat toelaat om de reactie van de hartslag van
een fietser op inspanningen met de fiets te meten. Om het vermogen tijdens het
fietsen te meten, wordt de SRM-meting gebruikt. Met dit toestel kunnen we de
volgende parameters meten: vermogen (P, Power), hartslag (HR, HeartRate),
toerental (C, Cadence). Ook de snelheid wordt gemeten maar dit is niet revelant
voor ons model. Op basis van deze parameters, werd er een model van het hart
ontworpen. Dit model voorspelt de hartslag op basis van het gemeten vermogen en
het toerental. De fout tussen de voorspelde hartslag en de gemeten hartslag is
minimaal. De belangrijkste uitkomst van het model is de voorspelling van de PSS
(Power at Steady State). Deze waarde komt overeen met het maximum vermogen dat
een fietser zou kunnen bereiken gedurende een bepaalde periode vb. 5 minuten; op
voorwaarde dat hij zou rijden tot zijn maximale hartslag (HRmax, maximum
HeartRate). Voordelen van
SRM Het
eerste voordeel is dat de vermogenslimiet nl. PSS wordt berekend, zonder dat men
tot die limiet moet gaan. De Conconni test bijvoorbeeld vereist dat de fietser
tot de limiet gaat. Een tweede voordeel is dat het een eenvoudig werkbaar
instrument is, dat men elke dag kan gebruiken en geen medische bijstand vereist.
(zoals Lactaat metingen). Een derde voordeel is dat het resultaat onafhankelijk
is van de inspanningsvorm; dit kan training zijn op de baan, op rollen, achter
een motorfiets of zelfs gedurende competitie. Een vierde voordeel is dat het de
limiet meet in tijdintervallen van 30 minuten (als de sessie minder is dan 4
uur, of in intervallen van 1 uur (als de sessie langer duurt dan 4 uur). Er
wordt dan een lineaire trendlijn van de vermogenslimiet PSS getoond, gemiddeld
over de hele sessie. Een vijfde voordeel is dat men een week-maand-jaar
overzicht kan vragen, zodat men de resultaten over een langere periode kan
vergelijken. Vb. het resultaat van deze maand vergeleken met dat van de vorige
maand. Of de laatste 3 maanden, vergeleken met dezelfde 3 maanden van vorig
jaar.
Uitlezen op de computer Na
de training of wedstrijd kan een uitdraai op de computer gemaakt worden.
Via een transponder worden de data overgezet op computer of laptop. Nadat de
data geanalyseerd zijn kan het training schema worden aangepast of als de waarde
goed zijn kan de training worden voordgezet volgens het voorgenomen schema.
Meekijken op internet
tijdens de Tour de France Live
TV uitzendingen. Diverse
renners rijden met het SRM systeem waaronder Servais Knaven. Hij rijdt al een
aantal dagen met het SRM systeem in de Tour. Je kan dit live volgen op de ARD,
maar ook via internet. Kijk dus tijdens de Tour de TV liveuitzending via deze link ARD
(alle Teams) of
T-Mobile
(alle Teams) of
CSC
(alle Teams)
Shimano
Benelux BV is een dochteronderneming van Shimano Inc. dat in 1921 werd opgericht
door Shozaburo Shimano in Osaska Japan waar het hoofdkantoor nog steeds
gevestigd is.
Shimano Inc. Het
eerste fietsonderdeel dat Shimano in productie nam was een achtertandwiel dat
vanaf 1931 ook Shimano’s eerste export product was. Vanaf midden jaren 50 van de
vorige eeuw bereidt het Shimano programma zich uit met een derailleur en een 3
versnellingsnaaf. In 1960 start Shimano met het zogenaamde koudsmeden, een
productiemethode die zeer belangrijk zal worden voor het bedrijf omdat de
hoogwaardige kwaliteit van de Shimano onderdelen onder andere uit dit proces
voort komt. De export van Shimano neemt explosief toe en in 1965 en 1972 worden
respectievelijk Shimano American en Shimano Europe opgericht. Ook worden de
eerste fabrieken buiten Japan geopend in Singapore. In 1973 ziet de eerste
volledige Dura Ace groep het levenslicht en in hetzelfde jaar wordt Shimano Inc.
een beursgenoteerde onderneming. Vanaf begin jaren 80 groeit Shimano steeds
harder door de introductie van de mountainbike en de vooruitstrevende rol die
het bedrijf speelt bij de ontwikkeling hiervan. In 1984 zet Shimano de markt
voor racefiets onderdelen op zijn kop met de ontwikkeling van geïndexeerd
schakelen (SIS), om dit nog eens over te doen in 1990 met de introductie van STI,
het inmiddels bekende systeem van geïntegreerd remmen en schakelen.
Shimano Benelux BV Vanaf
1989 loopt de geschiedenis van Shimano Benelux parallel aan die van Shimano Inc.
dat in dit jaar Citra koopt van fietsmerk Koga Miyata uit Heerenveen. Citra
vormde binnen Koga een bedrijf op zich en hield zich bezig met de import van
fiets accessoires waaronder die van Shimano. In 1991 werd het Belgische
Interbike ook rechtstreeks onder de hoede van Shimano Benelux geplaatst en nog
iets later in 1997 werden alle bedrijven samengevoegd onder dezelfde noemer
Shimano Benelux BV met een centraal magazijn en kantoren in Nederland en een
verkoopkantoor in België.
Ondertussen gaan de ontwikkelingen op product gebied onverminderd voort en
introduceert en innoveert Shimano verder met o.a. XTR mountainbike componenten
(1991) en Nexus versnellingsnaven. Tevens opent Shimano fabrieken in Maleisië,
China, Italië en de Tsjechische Republiek. Recentelijk werden nog de importeurs
in Frankrijk (2000) en Scandinavië (2004) overgenomen en een eigen vestiging in
Moskou geopend. Kortom, Shimano is een bedrijf met geschiedenis, maar ook met
een grote toekomst..